Doe-het-Zelf Stadsspel WebWinkel

12.9.09

Nieuw Stadsspel Mechelen: In het Spoor van Opsinjoor


Odilon Petrus Sinjoors (1881-1929) was een gerespecteerd archeoloog en heemkundige uit Mechelen, gefascineerd door de legende van 't Opsinjoorke aan wie hij - mogelijk - zijn naam te danken had. Tot zijn verbijstering merkte hij dat de verschrikkingen van de Grote Oorlog zijn stadsgenoten niet meteen hadden bekeerd tot betere mensen. De Spaanse Griep maakte in 1919 heel wat slachtoffers, vooral onder het arme en ondervoede volk. Zijn rechtvaardigheidsgevoel kwam tegen zoveel onrecht in opstand. Onder wat nauwelijks een schuilnaam mocht worden geheten - hij noemde zich 'Opsinjoorke' - kwam O.P. Sinjoors als een moderne Robin Hood in actie. Hij zou stelen van de rijken en de buit verdelen onder de armen...


Gedurende de 'roaring twenties' groeide 'Opsinjoorke' uit tot de grootste dief en inbreker die Mechelen ooit gekend heeft. De beruchte gentleman-gangster bleek onvatbaar te zijn en bleef de politie voor steeds nieuwe raadsels stellen. Omtrent zijn identiteit tastten de gerechtelijke instanties volkomen in het duister. Nadat Odilon Sinjoors op 17 februari 1929 schielijk was overleden ten gevolge van een hartstilstand, staakte het criminele Opsinjoorke eveneens al zijn activiteiten - maar nog steeds was er niemand die een verband legde tussen de sympathieke schelm en de weliswaar excentrieke, maar alom gerespecteerde archeoloog en heemkundige. Het testament van Odilon Sinjoors bracht daar verandering in. Het was geheel en al opgesteld in de lijn van zijn toch wat zonderlinge levenswandel en het bevatte 'een addendum', in de vorm van een bruine omslag, die pas op de eerstvolgende eerste april geopend en bekend gemaakt mocht worden.

Toen de 'buitengewone' clausule op 1 april 1929 inderdaad werd nagevolgd en de omslag werd ontsloten, bleek die niet alleen een vrij omvangrijk dossier, maar ook dit tegelijk mysterieuze en schokkende briefje te bevatten:

"Ondergetekende Odilon Sinjoors verklaart hierbij dat hij en niemand anders weet waar zich de nog niet onder de armen van Mechelen verdeelde Buit van Opsinjoorke bevindt. Deze 'schat' zal te beurt vallen aan hij of zij die ze verdient!"

Sinds 1 april 1929 zijn tientallen onderzoekers, schattenjagers, amateur-detectives en speurneuzen, met de elementen uit het dossier in de hand, op zoek gegaan naar het door Opsinjoorke bij elkaar gestolen Fortuin van Mechelen - maar blijkbaar heeft tot dusver niemand de schat verdiend. Vandaar dat wij nu voor het eerst een grootscheepse en georganiseerde poging ondernemen om de Buit van Opsinjoorke alsnog op te sporen, door de documenten aangetroffen in de nalatenschap van Odilon Sinjoors ook voor het eerst ter beschikking te stellen van een zo breed mogelijk publiek.

Klik op de titel en speel het stadsspel met een doe-het-zelf pakket of met een spelleider!




18.6.09

Anton Cogen met verteltheater Machar Van Geyt op de Gentse Feesten!



Het geluk lacht Armand Roosen (Mance Ruuze) onverwacht toe wanneer hij de juiste cijfers op het Lotto-formulier blijkt aangekruist te hebben. Helaas heeft zijn echtgenote het winnende formulier vernietigd. Tijdens de daaropvolgende woedeuitbarsting geeft Mance zijn vrouw een duw waarbij ze ongelukkig ten val komt en daarbij overlijdt. Mance Ruuze wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf. Bij de aanvang van de monoloog zit het grootste deel van die straf er op en blikt hij terug op de voorbije jaren hechtenis. De toeschouwer verneemt dat de gedetineerde veel van zijn tijd doorbrengt met TV-kijken, ondermeer naar films als “De gevangene van Zenda” en “The Birdman from Alcatraz”. Het stuk vormt een bonte mengeling van komische en hilarische situaties, waarbij sporadisch ook een tragische noot opduikt. Zo is er de zoon die na de dood van zijn moeder alle contact met zijn vader heeft verbroken. De liefdesbrieven die de in de gevangenisbibliotheek tewerkgestelde Roosen ontvangt van vrouwelijke bewonderaarsters, waaronder een lid van een SM-club, zijn ontmoeting met een homofiel die tijdens de dagelijkse wandeling op hem verliefd wordt, het zijn slechts enkele fragementen die de toeschouwer meemaakt en voor een gezellige avond zorgen.

speeldata:
zaterdag 18, zondag 19, maandag 20, dinsdag 21, woensdag 22, donderdag 23, vrijdag 24, zaterdag 25 en zondag 26 juli 2009

deuren 19.30 uur
aanvangsuur: 20.00uur


"A Capella", Godshuizenlaan 33, Gent

Reservatie:
Uitbureau Gent - Kammerstraat 19, 9000 Gent
09/233.77.88

11.6.09

Op schattenjacht in Brugge of Orval?


Het boek van Louis Van Haecke, over het Heilig Bloed van Brugge, is werkelijk de moeite waard! Het start met enkele bladzijden over de herkomst van de naam "België" (Belgae fortissimi enz...) - wat ons meteen aan de etymologische hoogstandjes van Boudet herinnert.

Over voor de hand liggende ketters en ketterijen in verband met het Heilig Bloed - "usual suspects" als katharen, Tempeliers, de Graal... - rept hij met geen woord, misschien omdat zij pas sinds Baigent, Leigh & Lincoln en hun internationale bestseller "Het Heilig Bloed, de Heilige Graal" aan de oppervlakte kwamen. Maar deze man die door Joris-Karl Huysmans als een Super Satanist werd beschouwd (zie ook Een Satanist in Brugge) heeft het wel over de veel minder bekende ketterijen van het Orfisme (zie ook Memoires van Heer Halewijn) of van de Bogomielen.

Louis Van Haecke heeft het in zijn boek over het Heilig Bloed van Brugge uitgebreid over... het Heilig Bloed van Mantua. En als dit boek blijkt een soortement Da Vinci Code te bevatten, zou ik daar niet van opkijken. Zijn gebruik van voetnoten is nogal curieus en soms zelfs ronduit idioot: zo verwijst hij met een voetnoot al eens naar iets op de pagina ervoor of erachter. En het boek eindigt als volgt (zie ook Een Satanist in Brugge):





Last but not least, zijn er in het boek van Van Haecke over het Heilig Bloed van Brugge nogal wat referenties te vinden naar Nostradamus en zijn kwatrijnen waarin een tempel, een schat en/of een geheim aan bod komen, en die stuk voor stuk naar Orval lijken te verwijzen (zie ook: Nostradamus and the Lost Templar Treasure of mijn boek Nostradamus in Orval. Helemaal "out of the blue" vermeldt hij een kwatrijn waarin een Frans gezegde voorkomt over het verschil tussen een Bretoen en een Normandiër. En wie heeft ook al een beroemd kwatrijn over het verschil tussen een Bretoen en een Normandiër geschreven? Inderdaad.

Plotseling begint Van Haecke Christus ook aan te duiden als "le Verbe éternel", "le Verbe incarné", "le Verbe" of "le Verbe de Dieu"; hij doet dit op een tweetal pagina's en dan niet meer en hij heeft deze omschrijving ook niet eerder gebruikt. Nu is "le Verbe de Dieu" een synoniem van "le Verbe Divin"... en heeft Nostradamus nogal wat kwatrijnen waarin "le Divin Verbe" voorkomt, en die naar ik meen eveneens naar Orval verwijzen, en zelfs naar de tombe van Bernard de Montgaillard (ik heb daarover óók uitgebreid geschreven in "Nostradamus in Orval").

Q 27, C II bijvoorbeeld:

Le divin verbe sera du ciel frappé,

Qui ne pourra proceder plus avant:

Du reservant le secret estoup,

Qu'on marchera par dessus & devant.


Het goddelijke woord zal uit de hemel geslagen worden en wie niet verder zal kunnen gaan, zal geconfronteerd worden met een geheim dat opgesloten is met de oplossing, en waar men overheen wandelt...

Dus... Wie gaat er mee op schattenjacht naar Brugge? Of naar Orval?

26.5.09

Het Heilig Bloed van Brugge



Klaarblijkelijk vindt geen enkele kroniekschrijver uit die periode het de moeite waard melding te maken van de stichting van de Orde van Arme Ridders van Christus en de Tempel van Salomon, beter bekend als de Tempeliers. Dat is niet zo verwonderlijk, als men er rekening mee houdt dat de oprichting van de Orde mede geïnspireerd werd door de moord op driehonderd pelgrims en het gevangennemen van zestig anderen en dat de Orde slechts door negen - weliswaar erg vrome - ridders wordt gesticht.
Ongevraagd dienen Hugues de Payens en de Vlaming Godfried van Sint Omaars, de oprichters van de Tempelorde, zich in het Jaar Onzes Heren 1118 aan bij Boudewijn II, neef en opvolger van Boudewijn I, koning van Jeruzalem. Ze beweren in alle armoede, kuisheid en gehoorzaamheid de wegen naar Jeruzalem en de pelgrims te zullen beschermen tegen de mohammedaanse dreiging. Niemand neemt deze dapperen ernstig, behalve de koning dan, die hen meteen een volledige vleugel van zijn paleis ter beschikking stelt, gelegen boven op de funderingen van de oude Tempel van Salomon.
Zonder enige officiële functie of reële macht leggen de negen Tempeliers zich negen lange jaren toe op de grootse taak die zij zichzelf hebben toegewezen. Wat zij daar precies onder verstaan, weten alleen zij. Inmiddels zijn zij wel de enige bewoners van de Tempel, waarvan zij de ondergrondse ruimten ontmantelen. Zo zouden de negen edelen die al hun aardse bezittingen in de steek hadden gelaten, om op zoek te gaan naar het geheim, verborgen in het Allerheiligste van de ruïnes van Salomons Tempel, dit geheim ook gevonden hebben. Het werkelijke doel van de Tempeliers was immers een ongemeen belangrijk en sacraal mysterie in verband met het Allerheiligste, dat ze niet alleen moesten vinden, maar ook moesten overbrengen naar een plek waar het veilig zou zijn.
Na negen jaar keren Hugues de Payens en zijn gezellen terug naar het Westen. Bernard van Clairvaux, een vooraanstaand Frans monnik en prediker, organiseert een triomfantelijke verwelkoming, die herinnert aan het enthousiasme dat Robrecht de Fries ten deel was gevallen toen hij terugkeerde van zijn pelgrimage. Volgens sommige auteurs is het dan ook niemand minder dan Robrecht geweest die de negen ridders na zijn verkenningstocht op weg heeft gezet naar de Tempel van Salomon.
Niemand die er een idee van heeft waar de negen arme ridders al die eerbetuigingen aan te danken hebben. In 1128 schrijft de latere Sint Bernardus de statuten en de regel van de Tempel. Voortaan zullen de Tempeliers iedere dag de mis horen, terwijl ze eenvoudige witte mantels zouden dragen zonder bontkraag en géén modieuze schoenen met een gekrulde punt. Slapen moeten ze in hemd en onderbroek, op één matras, onder één laken en één deken. Eten moeten ze in stilte, uit één nap voor twee man. Drie keer per week mag er vlees op tafel komen. Opstaan doen ze bij zonsopgang, na hard labeur is er een uur extra slaap voorzien... als ze in bed tenminste dertien onzevaders prevelen. 's Vrijdags is het tijd voor penitentie. Jagen is verboden. Behalve op leeuwen dan. En ze mogen alleen hun moeder, zuster of tante kussen.
Nauwelijks enkele weken nadat Bernard van Clairvaux de statuten en de regel van de Tempel heeft geschreven, trekken drie Tempeliers van het eerste uur naar de Kasselberg, waar Robrecht de Fries ooit de hand legde op het graafschap Vlaanderen. Goden horen immers thuis in de hemel, dat is altijd zo geweest... Voor Abraham en voor Mozes, voor de profeten en ook voor Jezus Christus zelf was een heuveltop de beste plek om met God te spreken. Onder koning David kreeg de berg Sion in Jeruzalem een gewijde rol toebedeeld; de berg werd door Salomon werd bekroond met een fabelachtige Tempel. Hugues de Payens, Godfried van Sint Omaars en Payen de Montdidier kiezen de hoogste berg uit die er in Vlaanderen te vinden is. Het geeft hun beklimming een sacraal, symbolisch karakter.
Maar uiteraard valt er van de Tempeliers, die aartsketters, geen spoor te bekennen in de Processie van het Heilig Bloed. Nochtans zou dit Heilig Bloed nooit naar Brugge gekomen zijn, als zij niet naar Jeruzalem waren geweest.
Ook in het gevolg van Diederik van den Elzas zijn geen Tempeliers te bespeuren. In de stoet wordt de graaf van Vlaanderen voorafgegaan door herauten, vendelzwaaiers, muzikanten en de 'gewone' Bruggelingen die de mond vol hebben over de relikwie waarmee hij vandaag zijn Blijde Intrede doet in Brugge, en die niet meer of niet minder is dan het symbool van het Nieuwe Jeruzalem...

Meer lezen? Klik dan op de titel, voor een volledige fotoreportage van de Heilig Bloed Processie editie 2009... met een uittreksel uit "Het Bloed van het Lam".

Moordspel Doe-het-Zelf WebWinkel